The Man In Me (1970) - door Jochen

The Man In Me (1970)

De kleurrijke gitaarbeul en volbloed muzikant Jack White mag zich tot de intiemere kennissen van Dylan rekenen en bewoont een groot huis met een flinke lap grond in Nashville. In maart 2017 krijgt hij bezoek van de journalist Alec Wilkinson, die voor The New Yorker een artikel schrijft over deze polymath, deze uomo universalis, en daarvoor wordt rondgeleid over het terrein. Drie hagelwitte pauwen paraderen hooghartig rond. Er staan wat gebouwtjes achter het huis. In een daarvan bevindt zich een atelier, een stoffeerderij – White is ooit opgeleid tot stoffeerder. In een ander gebouw heeft White een bowlingbaan met drie banen laten aanleggen, waar hij af en toe met vrienden gaat bowlen. De journalist ziet het ballenrek, met daarop bont beschilderde bowlingballen, voorzien van naamplaatjes. De bal van Bob Dylan is verfraaid met een portret van John Wayne.
Het is een intrigerend, bijna surrealistisch beeld dat zich nu opdringt: Bob Dylan in Nashville, gadegeslagen door albino siervogels, bowlend met het hoofd van John Wayne, terwijl Jack White op een psychedelisch gestoffeerd kuipstoeltje de score bijhoudt. Een beeld dat zó in de cultfilm past die de combinatie Bob Dylan + bowlen heeft gemunt, The Big Lebowski (1998).

Het is een bijzondere kunst, de vaardigheid om een filmscene dusdanig met een lied te versmelten dat het beeld zich in het collectieve bewustzijn van miljoenen kijkers vestigt. Heel veel voltreffers zijn er ook niet. “Stuck In The Middle With You” en de martelscene in Reservoir Dogs, “As Time Goes By” in Rick’s café in Casablanca, “The End” van The Doors in Apocalypse Now.
“The Man In Me” hoort inmiddels ook bij dat exclusieve clubje, en dat hebben we te danken aan T Bone Burnett, de “Musical Archivist” (hij voelt zich hoogst ongemakkelijk bij de gebruikelijke functieaanduiding “Musical Supervisor”, vandaar). Burnett heeft sedertdien een Olympische status opgebouwd in de filmwereld, ook op compositorisch gebied, en grossiert in Grammy Awards, Oscarnominaties (eenmaal gewonnen) en alle andere denkbare prijzen, voor zijn muzikale bijdragen aan films als The Hunger Games, O Brother Where Art Thou en Crazy Heart. Daarnaast is hij een veelgevraagd muziekproducer en ook dat doet hij niet voor de minsten: Roy Orbison en Los Lobos, om maar twee voorbeelden te noemen.
Dylanconnecties zijn er genoeg. Indirect sowieso: T Bone produceert zowel de platen van het bandje van Dylans zoon Jakob, The Wallflowers, als diens soloalbum Women & Country. En natuurlijk het Lost On The River-project, de ambitieuze onderneming van A-artiesten als Elvis Costello en Jim James om een stapeltje vergeten teksten uit Dylans Big Pink-periode op muziek te zetten.



Het directe lijntje naar Dylan gaat decennia terug: in ’75 en ’76 speelt Burnett mee in de Rolling Thunder Revue, waar de graatmagere, boomlange Texaan behalve door zijn groteske verschijning en slingerende gezwalk over het podium ook opvalt door zijn gedrag onderweg. Logboekschrijver Sam Shepard noteert dat Burnett “een apart soort gekte heeft. Hij is de enige van het hele tourgezelschap van wie ik niet helemaal zeker weet of hij wel controle heeft over zijn gewelddadige, duistere kant.” In een interview met Rolling Stone, 1983, herkent de hoofdrolspeler wel wat van dat beeld: “Ik kon gemeen en sarcastisch zijn (…) en lachte in het aangezicht van de dood.”
Burnett herpakt zich echter, in de jaren daarna, wordt een born-again christen en bereikt, zoals gezegd, de top in zijn vakgebied. Dat de muzikale archivaris dan in 1998 voor “The Man In Me” kiest, is niet helemaal door artistieke inzichten ingegeven -  Burnett bekent ook een zendingsdrang te hebben: “New Morning is een van mijn favoriete albums.”

Die missie slaagt. “The Man In Me” springt er bij verschijnen, in 1970 op New Morning, niet echt uit, weggestopt ergens tegen het eind van kant 2. Het heeft beslist a nice little melody, zoals Dylan zou zeggen, maar het klinkt wat mat, het dameskoortje is niet echt geslaagd en Dylan is een beetje verkouden. En kennelijk vindt de meester het wel best zo; meer dan twee takes gunt hij het lied niet, ondanks een hoorbaar enthousiaste Al Kooper op het orgel. Na die tweede en laatste take besteedt hij de rest van de studiotijd voornamelijk aan het – toch niet al te complexe – “Father Of Night” (elf takes!).
Het lied blijft voorlopig wat hangen in de grijze middenmoot van best-wel-aardige Dylansongs, tot het in 1978 wordt opgepimpt door de meester. Het verschijnt op de setlist voor de Far East Tour, vindt al gauw een prachtige, nieuwe vorm tijdens de oefensessies in de Rundown Studios in januari en wordt dan inderdaad bij elk concert in Japan en Australië gespeeld. Alleen in Adelaide (18 maart) introduceert hij de song ook: “Dit is een oud liedje. Met een paar nieuwe regels om het up-to-date te houden.” Dat zijn intrigerende woorden. Vóór “The Man In Me” heeft Dylan al zeventien songs gespeeld die ouder zijn, maar bij geen enkele van de ‘oude songs’ voelt hij de aanvechting om te actualiseren. Dat zou ook wat bizar zijn, bij tijdloze klassiekers als Hard Rain, Tambourine Man en Rolling Stone, maar los daarvan is het sowieso een nogal ongebruikelijke, qua motivatie zelfs unieke, manoeuvre. Dylan schaaft en knutselt heus wel vaker aan zijn liedteksten (van “Tangled Up In Blue” kennen we tientallen varianten, bijvoorbeeld), maar dit is de enige keer dat hij zo’n ingreep als een update betitelt.
Het betreft de regels

I can’t believe it, I can’t believe it’s true,
I’m lying next to her, but I’m dreaming of you . . .
I know you got a husband, and that’s a fact,
But, ah baby, turn me loose or cover my tracks,

die inderdaad een koerswijziging teweegbrengen – de you uit de oorspronkelijke tekst is kennelijk niet meer nabij, heeft een echtgenoot (of: is officieel nog steeds getrouwd met de verteller) en wordt nu enkel nog van verre aanbeden, terwijl de protagonist bij een ander in bed ligt. En door deze tekstuele ingreep ontkomt ook de oppervlakkig ingevoerd lezer/luisteraar er niet aan, om dan toch weer autobiografisch te interpreteren. Die oorspronkelijke tekst is dus een tedere ode aan Dylans echtgenote Sara, de update is dan een spijtig post scriptum na de scheiding. Voor de hand liggende kandidate voor de genoemde her is achtergrondzangeres Helena Springs, die tijdens deze Far East Tour herhaaldelijk weinig galant wordt geïntroduceerd als “mijn huidige vriendin” (my current girl friend) en nu dus ook avond na avond te horen krijgt dat haar huidige vriendje aan een ander denkt als hij bij haar in bed ligt.
Daarbij blijft het niet, qua schrappen en herschrijven. Al bij die eerste oefensessies in januari horen we, naast kleinere herzieningen, een vernieuwd tweede couplet:

Lost on the river of no return
I try to make it to you, but I’m afraid my heart will burn

En een paar maanden later, juli ’78 in Parijs, opent het laatste couplet met

I go down to the border beneath the sun
Calling out her name, but, baby, you're the one 

Waarin dat border beneath the sun een poëtische woordkeus lijkt om uit te drukken dat hij de you onder de evenaar, in Australië dus, zo gemist heeft.
Blijvertjes zijn het geen van alle. In de 21ste eeuw handhaaft Dylan zowel op zijn website als in de verzamelde Lyrics de oorspronkelijke New Morning-tekst.

Een geslaagde muzikale ingreep is de herhaling van middle-eight, een stijlbreuk waarop Dylan vooral in deze Street Legal-fase nogal dol schijnt te zijn. Deze brug heeft een klassieke schoonheid en dat is wel te herleiden: Dylan leent een deel van de woorden, het metrum en de melodie van “On The Street Where You Live”. Het origineel, uit de musical My Fair Lady (1956), is net iets te zijig, maar het lied is tientallen keren opgenomen, en Dylan is ongetwijfeld bekend met de versies van grote namen als Andy Williams, Doris Day en Perry Como, maar vooral met die van een van zijn idolen, Nat King Cole.
De grootste klapper is echter het arrangement van 1978. De meeste live-uitvoeringen zijn erg fraai, maar halen toch zelden de adembenemende intensiteit van die januarisessies. Die versie zet in als Al Greens “How Can You Mend A Broken Heart” en krijgt gaandeweg de rafelranden en de cojones die het meesterwerkje van Al Green nou net mist.

In de jaren 70 wordt het lied al hier en daar gecoverd, en doorgaans zijn dat prettige lezingen. Dylan zal in ieder geval vereerd zijn geweest met generatiegenoot Lonnie Mack, die er al vroeg bij is (op het mooie, The Band-achtige album The Hills Of Indiana, 1971), net als a-capellagroep The Persuasions (Street Corner Symphony, 1972). Opmerkelijk is de versie van de Britse reggaeband Matumbi, die de doorbraak aan Dylan heeft te danken – de band scoort in 1976 een grote hit met “The Man In Me” en dat inspireert wederom Joe Cocker om ook een reggaeversie op te nemen (Stingray, 1976, waarop ook een zwoele, boeiende cover van Dylans winkeldochter “Catfish” is te vinden). Het meest fascinerend, tot Dylans eigen herziening in ’78, is de doorwrochte, caleidoscopische interpretatie van intimus Al Kooper op diens ambitieuze album A Possible Projection of the Future / Childhood's End uit 1972. Kooper lijkt hier te willen afrekenen met de schrijnende frustraties die hij heeft opgelopen bij het produceren van New Morning, dus bij het origineel van “The Man In Me”; kijk, dit hadden we van dat lied kunnen maken. Voor de Dylanadepten is het wellicht wat overgeproduceerd, maar Kooper is duidelijk verliefd op het lied en fabriceert een sprankelend, veelkleurig inlegwerkje.
Sinds The Big Lebowski neemt het aantal covers exponentieel toe, en daarbij valt een kwaliteit op waarover slechts een handjevol Dylansongs beschikt: het lied valt bijna niet te verpesten. Jim James, die ook al zo’n etherische upgrade aan “Goin’ To Acapulco” wist te geven, herhaalt dat kunststukje met zijn band My Morning Jacket. Ray Lamontagne zingt, zoals wel vaker, wat al te aanstellerig, maar zijn interpretatie heeft wel weer een aantrekkelijk, sober, intiem arrangement. Totaal anders dan de springerige, energieke, trashy cover van het punkerige Say Anything uit Los Angeles, de leukste bewerking van de afgelopen jaren.
Hoewel ook daarvoor natuurlijk geldt, zoals The Dude zou zeggen: “Yeah, well, you know, that's just, like, your opinion, man.”


The Man in Me
The man in me will do nearly any task
And as for compensation, there’s little he would ask
Take a woman like you
To get through to the man in me

Storm clouds are raging all around my door
I think to myself I might not take it anymore
Take a woman like your kind
To find the man in me

But, oh, what a wonderful feeling
Just to know that you are near
Sets my heart a-reeling
From my toes up to my ears

The man in me will hide sometimes to keep from bein’ seen
But that’s just because he doesn’t want to turn into some machine
Took a woman like you
To get through to the man in me

2 opmerkingen:

tom zei

Dank voor je stuk Jochen. Ik moest bij het lezen denken aan deze video: https://www.youtube.com/watch?v=1wRt0hsJ38c

The Dude abides

Tom

Frans Buijs zei

Zonder The Big Lebowski was het inderdaad een verborgen juweeltje gebleven. En een juweeltje is het. De zinnen:
"The man in me will hide sometimes to keep from being seen
But that's just cause he doesn't want to turn into some machine"
zijn misschien wel de eerlijkste die Dylan ooit geschreven heeft.
Terug naar de film, ik vind Kenny Rogers met I Just Dropped In (To See the Condition My Condition Was In) tijdens de droomscene ook een voltreffer als het gaat om het vermengen van film en muziek.
Frans